Eerlijke kansen

Verschillen waarderen, discriminatie aanpakken

EenUtrecht wil discriminatie en pesten stevig(er) aanpakken, op scholen, op straat, op het werk, in de sport, overal. Het melden ervan wordt makkelijker en gaat lonen. Verschillen tussen mensen niet alleen accepteren, maar juist waarderen. De gemeente geeft daarin het goede voorbeeld, koopt in bij bedrijven die aantoonbaar werken aan diversiteit en samen met de scholen en lokale organisaties garandeert zij voor iedere student een stageplaats. Alles toegankelijk voor minder validen.
Zo wordt niemand uitgesloten, kan elke Utrechter écht zichzelf zijn en wordt Utrecht divers(er), mentaal (en fysiek) gezonder en sociaal-cultureel rijker en ook nog eens economisch innovatiever.   

Onze standpunten en burgervoorstellen

Discriminatie is ingrijpend, zowel voor een individu als voor de samenleving als geheel. Ook voor de stad is het funest, het voedt de verharding en polarisatie tussen Utrechters onderling. Discriminatie komt meestal voor op leeftijd, etnische herkomst en sekse. Vooral bij het zoeken naar werk, in de openbare ruimte, bij het volgen van een opleiding en op de werkvloer. Vaak moeilijk aantoonbaar en ‘verstopt’. Voor een groot deel onbewust. Het regelmatig bespreekbaar maken kan enorm helpen, vooral in het onderwijs en bij de opvoeding. Maak dus discriminatie en het waarderen van verschillen bespreekbaar bij organisaties, bedrijven, kerken, moskeeën, buurtcentra, bij sportverenigingen en vooral ook in het onderwijs, op de scholen. Dat kan door organisaties te verleiden bij hen thuis of samen met anderen gericht bijeenkomsten te organiseren, bijvoorbeeld door te starten met een onderzoek in de eigen organisatie, gericht op discriminatie en waarderen van verschillen, waarvan de uitkomsten gezamenlijk worden besproken. Of met creatieve bijeenkomsten waar deelnemers zelf ervaren wat discriminatie met je doet en wat er gebeurt als je de verschillen leert zien en waarderen.

Vooral op scholen, deels met ‘cultuursensitief’ onderwijs. Naast de bestaande lessen en lesmiddelen (zoals van Artikel 1 Midden Nederland) gerichter investeren in de docenten zelf, zoals met het trainen en begeleiden van docenten over hoe zij kunnen omgaan met diversiteit in de klas. Hoe je gericht discriminatie en het waarderen van verschillen op school bespreekbaar kunt maken, niet alleen met leerlingen, maar juist ook met de ouders.
De gemeente geeft het goede voorbeeld en laat zien dat anders denken en anders zijn in Utrecht wordt gewaardeerd, juist zeer welkom is. In Utrecht luistert de meerderheid wel naar minderheden. Wethouders en bestuurders waarderen publiekelijk en zichtbaar alle leefstijlen en alle leeftijden en nemen deel aan alle openbare uitingen van de diverse etnische groepen.

De meeste Utrechters die zich gediscrimineerd voelen ‘leggen zich daar bij neer’ omdat ze niets liever willen dan er bij horen, graag willen integreren in de Nederlandse samenleving en discriminatie dan maar op de koop toenemen. Ze passen zich aan en laten buitenshuis – vaak met pijn in het hart – de eigen identiteit niet meer zien. Met als gevolg dat veel Utrechters die niet zelf gediscrimineerd worden zich niet bewust zijn van het feit dat discriminatie nog steeds een serieus probleem is.
Veel organisaties en bedrijven geven vaak aan dat het wel goed gaat, dat zijzelf weinig of geen last hebben van het buitensluiten van scholieren, werknemers of leden: “wij discrimineren niet” of “we doen al veel aan het tegengaan van pesten”. Helaas, de cijfers en de verhalen spreken dit tegen.

Daarom is het belangrijk dat we in onze stad elkaar hier scherp op houden en ruimte geven aan een terugkerende campagne met als boodschap: ‘Utrecht is van ons allemaal’. Daarin is de volgende boodschap cruciaal:
(i) Opkomen bij discriminatie werkt.
Als individu opkomen bij situaties van discriminatie (buitensluiten, pesten, racisme) werkt, niet alleen als jezelf wordt gediscrimineerd, maar ook als omstander. Alleen zo maak je het bespreekbaar en houd je iedereen scherp. Praktisch vertaald is de boodschap: discriminatie melden loont, het kan een begin zijn van een beter gesprek, van een verandering. Maar dan moet het wel gemeld worden, dan moet iemand het wel aanslingeren, anders kan het niet ‘beginnen’.
(ii) Discriminatie is een zaak waar je voortdurend mee bezig moet zijn.
Er soms even aandacht aan besteden is meestal niet genoeg. Er over praten na een incident is vaak niet (altijd) fijn voor degene die gepest is of gediscrimineerd, alsof jij het dan bent die het aan de orde stelt, er een gedoe van maakt. Je zult er dus vaste momenten voor moeten organiseren.  
(iii) Daag jezelf uit om te ‘toetsen’ of je eigen organisatie goed genoeg bezig is met discriminatie.
Vaak zit het pesten of de discriminatie verstopt (online in de social media) of is het vooral indirect aanwezig (niet fysiek, soms verbaal, vaker nog door onbenoemd iemand buiten te sluiten). Het gevaar is daardoor extra groot dat je de discriminatie in je eigen organisatie of bedrijf onderschat.

Net zo belangrijk is het om bewezen en bewust toegepaste discriminatie direct en zichtbaar aan te pakken. Tegelijkertijd zijn er Utrechters die discriminatie als excuus gebruiken voor het eigen falen of voor het toedekken van eigen gedrag. Ook dat moet aangepakt. Degene die wordt gediscrimineerd of degene die het ziet gebeuren (de omstander) kan ook iets doen, namelijk het niet laten gebeuren, er dus iets van zeggen en het bespreekbaar maken; en zo nodig melden.

Laten zien dat melden loont, discriminatie wordt aangepakt. Dit op basis van het register met meldingen bij Artikel 1 Midden Nederland (MN) en de veroordelingen door het College van de Rechten voor de Mens. Als blijkt dat bij een werkgever of school sprake is van meerdere ‘gegronde’ meldingen (boven een kritisch aantal) vindt naast het ‘bemiddelingsgesprek’ met Artikel 1 MN ook een gesprek plaats door ‘Utrechters met gezag’, zoals een wethouder. Deze Utrechter gaat persoonlijk langs bij de betreffende werkgever of schooldirectie (ondersteund door Artikel 1 MN) om hen uit te dagen extra maatregelen te nemen. Als dat niet tot zichtbare veranderingen leidt of tot een ‘verbeteragenda’ dan kan de werkgever of school op een lijst van organisaties komen met een achterstand in het voorkomen van discriminatie (en bevorderen van diversiteit). Als na enkele jaren ook dat niet leidt tot een verbetering dan kan uiteindelijk dat (indien juridisch verantwoord) leiden tot uitsluiting bij inkoop door de gemeente Utrecht.

Meldpunten worden beter zichtbaar. Het bestaande digitale en fysieke meldpunt bij Artikel 1 Midden Nederland staat hierin centraal. Deze aanvullen met o.a. mobiele fysieke meldpunten in de stad, bij openbare gelegenheden en evenementen, bij moskeeën en kerken, op scholen en buurtcentra, bij migrantenorganisaties, bij de politie en op wijkbureaus, als ook in de vestigingen van de bibliotheek en op treinstations. Een digitaal meldpunt (bij Artikel 1 Midden Nederland) is goed, een fysieke aanwezigheid van een meldpunt is (nog) beter.

Organiseer en stimuleer actief dat alle bedrijven en organisaties de ‘diversiteitscharter’ steunen en ondertekenen. Zorg er voor dat zij elkaar regelmatig ontmoeten in een ‘Utrechts platform voor diversiteit en tegen discriminatie’, waarin zij elkaar opnieuw voeden en stimuleren (nog) meer te doen. Organisaties en bedrijven die de diversiteitscharter actief steunen en uitvoeren, stages en werk bieden aan bijvoorbeeld Utrechters met een hogere leeftijd, een niet westerse etnische achtergrond en een arbeidsbeperking, worden door de gemeente bij de inkoop van diensten beloond met een voorkeursbehandeling.  

De gemeente geeft het goede voorbeeld en laat zien aan bedrijven en instanties actief in Utrecht hoe je tot een diverse samenstelling van je team en organisatie kunt komen, zowel onder medewerkers als ook onder leidinggevenden. Bij sollicitaties wordt bij gelijke of vergelijkbare geschiktheid (zo nodig na een training of opleiding) gekozen voor die kandidaat die kan bijdragen aan een diverse samenstelling van het team of de gehele organisatie, zodat deze een afspiegeling is of wordt van de Utrechtse samenleving. Daarbij wordt in ieder geval altijd gelet op leeftijd, etnische herkomst en sekse. Dan gaat het dus niet alleen om minderheden (van bijv. een specifieke etnische herkomst), maar ook over bijv. de man/vrouw verhoudingen en een passende verdeling over alle leeftijden (jongeren/ouderen). En het gaat hier niet over het ‘blind’ bieden van voorrang; omdat iedereen het recht heeft om beoordeeld te worden op zijn/haar kwaliteiten, talenten en (zo nodig toekomstige) vaardigheden. Kortom, wél positief discrimineren maar niet bijv. ouderen of mensen met een migrantenachtergrond ‘zo maar voorrang geven’ én het altijd eerlijk en transparant motiveren.

In onze stad zijn nieuwkomers welkom en kunnen direct deelnemen aan onze samenleving, ongeacht afkomst en herkomst, in het bijzonder vluchtelingen van buiten Nederland. Utrecht wordt de stad waar vluchtelingen nog meer dan nu adequaat en veilig worden opgevangen en dat geldt voor zowel asielzoekers (zij die een verblijfsvergunning aanvragen), voor statushouders (met een toegewezen verblijfsvergunning) als ook voor de zogenoemde ongedocumenteerden (zonder verblijfsvergunning of ‘officiële papieren’, vaak na een afgewezen aanvraag voor een verblijfsvergunning).

Adequate opvang is altijd kleinschalig en verspreid over de stad, dus in tientallen en niet met honderden tegelijk per locatie of buurt. Grootschalige locaties zijn namelijk voor veel vluchtelingen traumatisch. Sommigen spreken dan zelfs van een derde trauma, na de onveiligheid in het land van herkomst en de vaak onveilige vluchtroute. De komende jaren zal blijvend geïnvesteerd moeten worden in het realiseren van meerdere nieuwe en kleinschalige opvanglocaties. Dat zorgt er ook voor dat nieuwkomers beter en sneller integreren omdat zij makkelijker in contact komen met hun buren. Vanaf dag één moeten vluchtelingen bovendien kunnen beginnen met het leren van de Nederlandse taal en het kunnen werken in de samenleving, bij voorkeur betaald.

Bij de inburgering van statushouders kan nog meer en beter dan tot nu toe rekening worden gehouden met individuele mogelijkheden (maatwerk), bijvoorbeeld dat soms statushouders de taal juist beter leren in een vakopleiding dan in de basisinburgeringscursus zelf. Dat kost mogelijk extra geld, maar dat verdient zich snel weer terug omdat de statushouder sneller verder kan zonder begeleiding.

Utrecht is een ‘mensenrechtenstad’ en dat wil zeggen dat niemand op straat hoeft te slapen, zich niet kan verschonen of niet voldoende te eten heeft. Iedereen heeft in Utrecht altijd recht op een ‘bed, bad en brood’, ook de ongedocumenteerden. Het Rijk daarentegen heeft haar bijdrage aan voorzieningen voor deze kwetsbare groep, zoals bij de Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV), afgebouwd en zal dat vermoedelijk blijven doen. Als dat blijvend het geval is dient de gemeente uit eigen middelen ervoor te zorgen dat deze voorzieningen wel op peil blijven; minimaal op het gewenste oorspronkelijke niveau van 2023 (voor de bezuinigingen van het Rijk en de gemeente zelf). 

Begin met het aanspreken van alle scholen op de ‘zorgplicht’ om alle leerlingen daadwerkelijk tijdig aan een stage te helpen, beloon degene die het goed doen, maak dat zichtbaar. Investeer meer in het persoonlijk begeleiden van studenten die niet of moeilijk een stage kunnen vinden. Jaag dat als gemeente aan door hiervoor extra middelen en mensen vrij te maken, bijvoorbeeld met het financieren (tijdelijk) van extra stagebegeleiders/mediators op de scholen.

Als ouders volledige keuzevrijheid hebben ontstaan ‘witte en zwarte scholen’. Door de vrije keuze iets te beperken tot de scholen in de eigen buurt/wijk (bij andere scholen kom je op een wachtlijst) ontstaan ‘gemengde scholen’. Op gemengde scholen zien en leren kinderen dat we in een diverse maatschappij leven met verschillende sociale klassen, etnische achtergronden en genderidentiteiten. In gemengde klassen kunnen leerlingen zich optrekken aan anderen en verkleinen taalachterstand eerder. Alleen zo creëren we gelijke en nog belangrijker ‘eerlijke’ kansen voor alle kinderen.

De gemeente gaat daarom in samenwerking met alle basisscholen (en voortgezet onderwijs) actief inzetten op ‘buurtscholen’: scholen die een afspiegeling zijn van de eigen buurt of wijk. Zodoende ontstaan gemengde scholen, vooral gemengd op sociale klassen (inkomen en opleiding van ouders) en naar etniciteit. Een eerste voorwaarde is dat de aangekondigde aanpassing naar een centraal aanmeldsysteem met voorrang voor kinderen uit de eigen buurt (naast broertjes en zusjes) adequaat wordt ingevoerd en gecontroleerd op een juiste uitvoering.

Daarnaast is meer nodig, zoals het ondersteunen van ouderinitiatieven om te komen tot een gemengde buurtschool, voorlichting aan ouders over de schoolkeuze, het bevorderen van een uitwisseling tussen scholen met een verschillende achtergrond én extra investeren in scholen waar sprake is van sociaaleconomische vlucht. Alleen als we inzetten op het gehele pakket van maatregelen ontstaat een gemengde school, anders niet; zo blijkt uit de evaluatie van gemengde scholen in Nijmegen. Vooral het steunen van ouderinitiatieven blijkt hierin doorslaggevend.

Bij het plaatsen van kinderen op de buurtschool worden zo nodig, nadat alle ‘buurtkinderen’ en broertjes en zusjes een plek hebben gekregen, de overige plekken nog ingevuld met kinderen die maken dat de school ook een afspiegeling gaat zijn van de gehele stad naar opleidingsniveau van ouders.

De U-pas moet door een huishouden/gezin eenvoudiger en breder te gebruiken zijn, zonder allerlei beperkingen waarin een onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd of type bestedingen. Zo moeten ouders helemaal zelf kunnen bepalen hoe het U-pas budget wordt besteed, voor henzelf en voor de kinderen gezamenlijk.

In Utrecht wonen circa 170 nationaliteiten, meer dan 41% heeft een migratieachtergrond en ongeveer 1 op de 10 Utrechters heeft (ook) een niet Nederlandse paspoort. Daarmee is Utrecht verbonden met de diaspora van vele landen in de wereld, waaronder die in Marokko, Turkije, de Antillen en Suriname, vele omliggende Europese landen, het Midden Oosten en landen als China, India, Afghanistan en de Oekraïne. Dat betekent ook dat we als stad solidair kunnen en moeten zijn met familie en relaties van Utrechters die in de landen van herkomst worden onderdrukt of nog erger, worden vermoord, zoals het geval is met de genocide van Palestijnen in Gaza door de staat Israël en de brute invasie in de Oekraïne door de Russische staat. Daar past maar één antwoord op, namelijk door als gemeente deze acties ten diepste af te keuren en alle banden met dergelijke misdadige regimes te verbreken, waar dat maar juridisch en staatsrechtelijk enigszins mogelijk is.

Het Ombudsloket is karig bedeeld met een minimale bezetting en een parttime Ombudsman. Dat wordt verdubbeld waardoor er ruimte ontstaat voor een fulltime Ombudsman, als ook een aparte Kinderombudsman. Naast bestaande taken gaat het Ombudsloket ook gericht onderzoeken wat en waar het beter kan, naar aanleiding van klachten en meldingen.

Om te waarborgen dat er minimaal bezoekbare woningbouw wordt gebouwd, moet de gemeente in tenders en vergunningen erkennen dat het Bouwbesluit onvoldoende is en eisen stellen die bovenop het Bouwbesluit komen. Dit kan door bij bouwende partijen en ontwikkelaars aan te dringen om de leidraad toegankelijk bouwen te volgen en conform NEN 9120 te bouwen. Het Handboek Openbare Ruimte van de gemeente bevat al richtlijnen voor  ‘Voetpaden voor Iedereen’, maar dat dient dan wel overal ook toegepast te worden. Bovendien moet het Handboek aangevuld worden met richtlijnen voor toegankelijke parken en groen. Daarnaast dienen er (meer) parkeerplekken te komen voor fietsen met afwijkende modellen zodat mensen met een beperking niet te ver hoeven te lopen.

Toegankelijke openbare toiletten in de binnenstad staan maximaal 250  meter van elkaar.